naam
carla
Carla Hinnen
zondertitel
Truus Kraneveldt
dans1
Anno Ruemkens
concert
Matthieu Wouters
defilosoof
Arnold Jongkind
muziekwijk
Sylvia Heerschop
henk
Henk Vermij
schaalfusion
Glaskunst
wijnmolenstraat-dordrecht
Rob Jacobs
zonder-titel-nr5
Joséphine Verbist
heyboer1
Anton Heyboer
john
John van der Velden
boten-industrie
Tanja Koelemij
thea
Thea van Rijn
janpeter
Jan Peter van Opheusden
janpieter
Jan Pieter van den Bos
cow-red-white-only
Bart Fagel
Theo van Doesburg

Theo van Doesburg

Theo van Doesburg, in uitzonderlijke gevallen ook Théo van Doesbourg genoemd, pseudoniem van Christian Emil Marie Küpper (Utrecht, 30 augustus 1883 – Davos, 7 maart 1931), was een Nederlands kunstenaar en schrijver. Hij was vanaf 1899 actief als kunstschilder en hield zijn eerste expositie in 1908, schreef vanaf 1912 kunstkritieken, verhalen en toneelstukken in diverse tijdschriften en richtte in 1916 met Piet Mondriaan, Vilmos Huszŕr en Bart van der Leck een groep die later De Stijl werd genoemd naar het in 1917 door Van Doesburg opgerichte en door hem zelf geredigeerde tijdschrift. Hij was vanaf 1904 actief als dichter, na 1920 uitsluitend onder heteroniem I.

K. Bonset en publiceerde vanaf 1921 een anti-filosofische roman onder pseudoniem Aldo Camini. Daarnaast hield hij zich bezig met typografie, fotografie, film, mode en muziek.
Van Doesburg probeerde een wereld te scheppen waarin alle kunsten een meer verheffende, a-politieke en gelijkwaardige plaats ten opzichte van elkaar innemen binnen zijn Nieuwe Beelding. Hiervoor zocht hij aansluiting bij de internationale avant-garde.

Vlak voor zijn dood vestigde hij zich als architect in Meudon.
Van Doesburg werd in Utrecht op 30 augustus 1883 geboren als zoon van de Duitse fotograaf Wilhelm Küpper en zijn vrouw Henrietta Margadant. Begin 1884 keerde zijn vader echter terug naar Duitsland en in september 1884 verhuisde zijn moeder met haar kinderen van Utrecht naar Amsterdam om met de horlogemaker Theodorus Doesburg, die waarschijnlijk zijn biologische vader was, samen te gaan wonen. Pas nadat Wilhelm Küpper in september 1892 in Keulen overleed, traden beiden in juli 1893 in het huwelijk.
Na afloop van de lagere school bezocht Küpper korte tijd de School voor Vocale en Dramatische Kunst van Cateau Esser in Amsterdam, maar het verlangen groeide om schilder en/of schrijver te worden. Omdat zijn ouders het hier volstrekt mee oneens waren, ging hij al op achttienjarige leeftijd uit huis. Zijn eerste schilderkunstige probeersels dateren van 1899 en omstreeks 1901 volgde hij enkele schilderlessen van de schilder Adrianus Grootens.

Verder bleef hij zijn leven lang autodidact. Zijn allereerste werk signeerde hij met de naam van zijn stiefvader: Theo Doesburg, waar hij in 1902 het tussenvoegsel "van" aan toevoegde. Op 12 maart 1903 werd hij opgeroepen voor militaire dienst en vanaf 1906 nam hij tot en met 1914 elke twee jaar deel aan herhalingsoefeningen.
Omstreeks 1903 leerde hij ook de dichteres Agnita Feis kennen, aan wie hij in september 1904 een aantal van zijn eerste gedichten opdroeg. Een fragment van één van deze eerste gedichten luidt: 'De kleur.

Als ik plat lig met mijn buik tegen de aarde; of ik sta lang-uit, dan voel ik mij omschaterd door U, dan voel ik mij in U.
Dit is opmerkelijk want de schilderijen uit zijn beginperiode zijn vaak bruinachtig en dik aangezet en sluiten aan bij de toen gangbare Amsterdamse School. In het begin schilderde hij vooral landschappen, omstreeks 1904, om inspiratie op te doen, ook 's nachts.

Maar de landschapschilderkunst bevredigde hem steeds minder. Hij interesseerde zich, mogelijk beďnvloed door Van Gogh, steeds meer voor de 'lijdende en zwoegende' mens, vanuit een humanistisch-christelijk standpunt. 'God heeft de kunst gezonden heeft om hiervan getuigenis af te leggen', schreef hij op 18 juli 1910 aan zijn vriend, de amateurschilder Christian Leibbrandt.
Om zich te bekwamen in de portretschilderkunst maakte hij talloze zelfportretten, waarbij hij zich graag als 'geestelijk werkman', met pet en werkkleding, afbeeldde, maar ook van zijn vriendin en vrienden. De studie naar de mens wekte echter ook de behoefte deze een spiegel voor te houden, wat resulteerde in een serie karikaturale litho's die in 1910 verschenen in zijn literaire debut, De maskers af! Van 30 juli tot 10 augustus 1908 vond in Den Haag de eerste tentoonstelling plaats van 'teekeningen en schetsen van Theo van Doesburg', georganiseerd door de Haagsche Kunstkring.
De tentoonstelling was echter geen succes en om in zijn levensonderhoud en dat van zijn vrouw te voorzien gaf hij van 1908 tot 1912 tekenlessen aan Johanna Pieneman.

Op 4 mei 1910 trouwden Van Doesburg en Feis en vestigden zich aan de Johannes Verhulststraat 33 in Amsterdam. Vanaf midden-1912 was hij actief als recensent van diverse tentoonstellingen van hedendaagse kunst (zie Publicaties). Aanvankelijk had Van Doesburg weinig op met de kunst van kubisten als Picasso of Braque en het abstracte werk van Kandinsky.
Hieraan kwam in 1913 echter plotseling een einde na het lezen van het Kandinsky's Rückblicke, waarin deze terugblikt op zijn ontwikkeling als kunstschilder van 1903-1913. Van Doesburg raakte overtuigd van de 'vergeestelijking' van de kunst en het feit dat abstractie hier een logisch gevolg van is. Net als Kandinsky wilde Van Doesburg zich nu actief inzetten om zijn nieuw verkregen inzichten te verdedigen en te verkondigen.

Zijn eerste statement is een zelfportret, waarop hij zichzelf precies zo afbeeldde als Kandinsky zich op een portretfoto in zijn Rückblicke liet fotograferen: niet als ambachtelijk schilder met werkkleding en schilderspet, zoals voorheen, maar als onafhankelijk, zelfbewust wereldburger. Maar Van Doesburg had aanvankelijk grote moeite aan deze 'vergeestelijking' gestalte te geven. Het schilderij Meisje met ranonkels, dat hij het jaar daarop voltooide, is zijn eerste serieuze poging in die richting.
Hoewel het onderwerp nog steeds herkenbaar is, merkt Van Doesburg op dat het onderwerp slechts nog motief is. In juli 1914 nam hij deel aan een laatste herhalingsoefening in Fort Veldhuis.

Toen in augustus dat jaar de Eerste Wereldoorlog uitbrak werd Van Doesburg, als militair bij de infanterie van de Amsterdamse Landsweer, ter mobilisatie naar Noord-Brabant gestuurd, en werd — als sergeant-facteur Küpper — met zijn legeronderdeel ingekwartierd op de Regte Heide aan de Belgische grens in Noord-Brabant.
De gruwelijke ooggetuigeverslagen van Belgische vluchtelingen schokten hem en hij verloor al zijn vertrouwen in de mens en zelfs in het geloof zoals hij het kende. Aan het 'front' had Van Doesburg weinig te doen en dus schreef hij talloze tijdschriftartikelen en brieven, waarin hij zijn afschuw voor deze nutteloze oorlog uitte. Naast Amsterdammers waren op de Regte Heide vooral Friese soldaten gelegerd, waaronder ook de Drachtster schoenmaker-dichter Evert Rinsema, met wie hij, vanwege hun gemeenschappelijke interesse in literatuur, zijn verdere leven bevriend bleef.
In januari 1915 werd hij overgeplaatst naar Tilburg.

Zijn oude, Amsterdamse vriend, Maurits Manheim, die al enige tijd in Tilburg werkzaam was als kantoorbediende bij de wolstoffenfabriek van E. Elias, stelde hem in het najaar van 1914 voor aan de uit Rotterdam afkomstige Antony Kok, die werkte als klerk-telegrafist op het station van Tilburg.
Manheim, Kok en Van Doesburg organiseerden begin 1915 in café Jansen, tegenover het station, zogenaamde soirées intimes, waar muziek werd gemaakt en experimentele gedichten werden voorgedragen. Met Kok besprak hij rond deze tijd ook de mogelijkheden van een literair-cultureel tijdschrift. Via Manheim leerde hij ook de zusjes Frie en Lena Milius kennen.

Van Doesburg werd verliefd op Lena en droeg het gedicht 'Mijne liefde...' aan haar op dat hij op 30 januari 1915 publiceerde in het tijdschrift Eenheid. In mei/juni 1915 maakte Van Doesburg de schetsen Straatmuziek I en II naar aanleiding van werk van Louis Saalborn en Laurens van Kuik dat hij zag op de voorjaarstentoonstelling van De Onafhankelijken. Veel vroeg-abstracte kunstenaars, waaronder ook Kandinsky, gebruikten muziek als motief om vorm te geven aan hun innerlijke gevoelsleven.
Later zou Van Doesburg muziek ook vaak gebruiken om de abstracte kunst uit te leggen en te verdedigen (bijvoorbeeld zijn Compositie in grijs (Rag-Time) uit 1919). In de zomer van 1915 veroorzaakten groepjes rondom Tilburg gelegerde soldaten relletjes en opstootjes in de stad, waardoor een deel van de afdelingen van de Amsterdamse en Friese Landweer, waaronder ook Van Doesburg, in september naar Utrecht overgeplaatst werd. Daar verbleef hij eerst in een kazerne, maar vond niet veel later een kamer aan de Leidsekade.

In Utrecht kwam hij via oogarts en amateurschilder Gesinus ten Doesschate in oktober in contact met Utrechtse kunstschilders als Erich Wichmann en Janus de Winter. Met name De Winter maakte veel indruk op Van Doesburg, die hem uitriep tot 'schilder-kunstenaar' en door hem aangezet werd tot het maken van een serie visioenachtige voorstellingen. Ook keek hij rond deze tijd naar werk van de theosoof Charles Webster Leadbeater.
Ook experimenteerde Van Doesburg rond deze tijd met het kubisme, waarin, in navolging van Paul Cézanne, de werkelijkheid geometrisch vervormd werd. Maar het 'coloriet raakt [bij hen] op den achtergrond', schreef hij op 30 oktober 1915. Voor Van Doesburg was een schilderkunst zonder kleur kennelijk ondenkbaar.
In zijn hoedanigheid als kunstcriticus vond in 1915 ook het eerste contact plaats met Piet Mondriaan, die al enige tijd in esoterisch-abstracte richting schildert. In oktober 1915 stuurde Mondriaan hem een foto van zijn tekening van de gevel van de kerk van Domburg (zie Tekeningen van Mondriaan), waarop Van Doesburg een soortgelijke tekening maakte.

Ook wees Mondriaan hem op het toch wel erg willekeurige en toevallige karakter van De Winters werk, waarna Van Doesburg wat meer afstand nam van zijn 'priester-kunstenaar'.
Op 6 februari 1916 ontmoetten beiden elkaar voor het eerst. Op 15 februari van hetzelfde jaar gaf hij de lezing 'De ontwikkeling der Schilderkunst van Cimabue tot Kandinsky' bij 'Schilder- en teekenkundig genootschap "Kunstliefde"' in Utrecht. Na zijn demobilisatie in februari 1916 kon hij vanwege zijn inmiddels openlijke verhouding met Lena Milius niet meer bij zijn vrouw terugkeren en dus ging hij tijdelijk bij zijn moeder en zus op de Schoterweg 6 in Haarlem wonen.

Op 24 maart 1916 richtte hij met De Winter en Wichman kunstenaarsvereniging De Anderen op, waarmee hij in mei/juni daaropvolgend exposeert bij kunsthandelaar Herman d'Audretsch in Den Haag. Toen De Winter zich echter op het laatste moment uit de groep terugtrok, omdat hij andere, meer invloedrijke promotors vond in de personen Henri Borel en Frederik van Eeden, voelde Van Doesburg zich zwaar geschoffeerd. In mei was hij betrokken bij de oprichting van de Leidsche Kunstclub De Sphinx en in juni voltooide hij zijn eerste genummerde compositie, dat mogelijk geďnspireerd is op werk van de Tsjechische kunstenaar Emil Filla, dat hij in maart zag op de tentoonstelling 'Expressionisten Cubisten', eveneens bij D'Audretsch.
Bij De Sphinx leerde hij de architect J.J.P. Oud kennen, die toen in Leiden woonde. Omdat Oud van Van Doesburg vernam dat hij tot een betere samenwerking van beeldend kunstenaars en architecten wilde komen, gaf hij hem in augustus 1916 opdracht een glas-in-loodraam te ontwerpen voor de deur van een burgemeesterswoning in Broek in Waterland. Voor deze eerste glas-in-lood-compositie ging Van Doesburg te rade bij de Hongaarse kunstenaar Vilmos Huszŕr, die hij kende via de HKK.
De opdrachtgever was zeer tevreden over het resultaat en liet hem in het voorjaar van 1917 nog eens vier ruitjes boven dezelfde deur ontwerpen.

Later zou Oud hem nog bij diverse projecten betrekken, zoals zijn Villa Allegonda in Katwijk aan Zee, Vakantiehuis De Vonk en woningbouw in de Rotterdamse wijk Spangen. Via Mondriaan en Huszŕr leerde hij in 1916 ook de schilder Bart van der Leck kennen en samen richtten zij de groep 'bewust abstracten' of 'werkelijk anderen' op, als afscheiding van het naar hun smaak te expressionistische De Anderen.
Op 22 en 29 november 1916 gaf hij in Haarlem de lezing 'Het aesthetisch beginsel in verband met de moderne beeldende kunst', die in 1919 werd gepubliceerd in het boekje Drie voordrachten over de nieuwe beeldende kunst. Na enige tijd in Zoeterwoude gewoond te hebben, vestigde hij zich in december 1916 in Leiden. Daar woonde en werkde hij aanvankelijk enkele maanden op de Da Costastraat 9 (toen Maria Gondastraat), de Stadhouderslaan 32, en tenslotte, van april 1917 tot juni 1920 op de Morsweg 20 (woonadres) en Kort Galgewater 3 (atelier).

Op 11 mei 1917 werd ook de scheiding tussen Van Doesburg en Feis uitgesproken, na bijna drie jaar gescheiden van elkaar geleefd te hebben. Dezelfde maand nog, op de 30e, trouwt hij met Lena Milius.

Begin 1917 begint een nieuwe fase in Van Doesburgs oeuvre. Onder invloed van Mondriaan en Van der Leck gebruikte hij alleen nog maar horizontale en verticale kleurvlakken, waaruit vrijwel elke 'natuurlijke' invloed uit verdween. Toch zijn ook deze werken nog steeds uit de waarneembare werkelijkheid ontstaan: zo is zijn Compositie XII in zwart en wit gebaseerd op een landschap, en zijn Compositie met dissonanten (eveneens Kunstmuseum, Basel) gebaseerd op een portret van Mevrouw J.Th.M. Schoondergang.

Van Doesburg schreef hier in 1918 zelfverzekerd over: 'De natuur is een vraag, de kunst is het antwoord'.
In 1917 ontwierp Van Doesburg vijf glas in loodramen voor een onderwijzerswoning en ornamentranden voor de daarachter gelegen school in Sint Anthoniepolder, in opdracht van architect en Frank Lloyd Wright-bewonderaar Jan Wils, die hij waarschijnlijk ook in de Haagsche Kunstkring leerde kennen. Een jaar later betrok Wils hem bij het ontwerp van het zeer 'wrightiaanse' woonhuis van J. de Lange in Alkmaar, waarbij Wils Van Doesburg alle vrijheid gaf
Over zijn kleurontwerpen van 'das coloriete Haus' schreef Van Doesburg op 9 september 1917 aan Anthony Kok: 'Alkmaar revolteert! Je begrijpt hoe de lui stonden te kijken.

Ze begrepen er niemendal van, maar durven er toch niet tegen in gaan'.
In mei 1917 was Van Doesburg druk bezig met de voorbereiding van een tijdschrift voor de groep 'volstrekt anderen'.

Hij had toen al de toezegging van Mondriaan en Van der Leck en een belangrijke impuls was ook een voorschot van fl. 600,- van een toezegging van fl. 3.000,- die de Zwitserse verzamelaar Karl Friedrich Meyer-Fierz (1847-1917), die hij in november 1916 leerde kennen, aan Van Doesburg stuurde. Hij noemde het heel toepasselijk De Stijl, omdat Van Doesburg meende dat in de stijl die hij voor ogen heeft, alle bestaande kunststijlen, of het nu gaat om schilderkunst, beeldhouwkunst, bouwkunst of poëzie, tot hun essentie zijn teruggebracht en daarmee universeel zijn.

'Het is alleen voor Beeldende Kunst en Kunstnijverheid. Gaat het goed dan breid ik het enorm uit: muziek, literatuur enz.', schreef hij op 19 mei aan Kok. Door papierschaarste en het vinden van adverteerders kwam het eerste nummer van De Stijl pas in oktober uit. De eerste 'medewerkers' – zoals Van Doesburg ze noemde – van De Stijl waren (in volgorde van verschijning): Piet Mondriaan, Bart van der Leck, Anthony Kok, J.J.P. Oud, Gino Severini, Jan Wils, Robert van 't Hoff, Huib Hoste en Georges Vantongerloo.

Op 8 januari 1918 gaf Van Doesburg een lezing met 'lichtbeelden' bij Amicitia in Amersfoort, getiteld 'De stijl der toekomst', die in 1919 werd gepubliceerd in het boekje Drie voordrachten over de nieuwe beeldende kunst. Voorjaar 1918 verlaat Van der Leck de groep vanwege een artistiek meningsverschil met Van Doesburg en Mondriaan over het gebruik van vlakken en (diagonale) lijnen, enerzijds, en omdat Van Doesburg zich negatief uitliet over het werk van zijn vriend Peter Alma, anderzijds. Op 29 juli 1918 verschijnt een artikel van architect Huib Hoste in De Nieuwe Amsterdammer, waarin hij 'om af te kammen wat men onder den naam van kunst in sommige Roomsche kerken opstelt' ervoor uitkomt rooms-katholiek te zijn. Van Doesburg vat dit op als 'boete doen' voor zijn eerder verschenen artikel in de De Stijl en noemt hem vervolgens eclectisch en iemand met twee monden. Najaar 1918 ontstaan er ook problemen tussen hem en de uitgever, C. Harms Tiepen, waardoor Van Doesburg het vanaf november van dat jaar in eigen beheer uitgeeft.
Die maand publiceert hij ook het Eerste Manifest van De Stijl, dat naast hemzelf ook door Van 't Hoff, Huszŕr, Kok, Mondriaan, Vantongerloo en Wils ondertekend wordt. Anticiperend op meer internationale bewegingsvrijheid nu de oorlog voorbij is – 'zoodra het verkeer met het buitenland weer hersteld is' –, publiceert hij dit manifest ook in het Frans, Duits en Engels. In 1918 krijgt Van Doesburg onenigheid met Huszŕr over diens kleurenschema van het interieur van Robert van 't Hoffs woonboot De Stijl.
Met Jan Wils komt het in 1919 tot een breuk, omdat Van Doesburg vindt dat zijn bijdrage aan café De Dubbele Sleutel niet op de juiste financiële waarde geschat is.

Najaar 1919 zegt Van Doesburg de communistische schilder Christiaan Hendrik Beekman toe zijn netwerk te gebruiken om een petitie rond te laten gaan om handtekeningen te verzamelen voor een vrij postverkeer met Rusland, aan te bieden aan het Nederlandse parlement. Als Van Doesburg dit echter verzuimt, laat de eveneens communistische architect Robert van 't Hoff op 10 oktober via Antony Kok weten niet meer met Van Doesburg als redacteur van De Stijl te kunnen samenwerken.
Eerder dat jaar had Van 't Hoff Van Doesburg nog gewezen op de experimentele meubels van Gerrit Rietveld. Van Doesburg vond dat zijn meubels de ideeën van De Stijl in drie dimensies uitdrukte en publiceerde deze in zijn tijdschrift. Als Van Doesburg in november 1919, ondanks de afspraak onder de leden van De Stijl alleen nog gezamenlijk te exposeren, deelneemt aan de Jaarbeurs voor Kunstnijverheid in Amsterdam, is de breuk met Van 't Hoff compleet.

In oktober/november 1921 maakt Oud bezwaar tegen Van Doesburgs kleurontwerp van woningblokken VIII en IX in de Rotterdamse wijk Spangen, waarop Van Doesburg hem op 3 november boos terug schrijft: "Entweder so - oder nichts", waarop Oud het al uitgevoerde deel van Van Doesburgs ontwerp laat overschilderen. In november 1922 maakt Oud bekend niet meer met Van Doesburg, of welke beeldend kunstenaar dan ook, samen te werken, omdat hij vindt dat kleur in de architectuur niet al te overheersend moet zijn. Op 18 februari 1919 geeft hij een lezing bij Pictura Veluvensis in Renkum en op 13 februari 1920 bij de kring Moderne Kunst in de Lutgardiszaal in Antwerpen, die in 1920 wordt uitgegeven onder de titel Klassiek-Barok-Modern. Het is een voorbeeld van de reactie op Berlage en 'zijn' Amsterdamsche School, die volgens Van Doesburg het decoratieve, barokke beginsel nooit hebben losgelaten. Eind februari 1920 reist hij naar Parijs, waar hij op 6 maart in het atelier van Mondriaan voorgesteld wordt aan de invloedrijke, Parijse kunsthandelaar Leonce Rosenberg, die de leden van De Stijl een tentoonstelling aanbiedt in zijn galerie 'L'Effort Moderne', die zou moeten bestaan uit een speciaal voor Rosenberg ontworpen buitenhuis annex 'cultuurcentrum'.
Ook benoemt de Russische kunstenaar Alexander Archipenko hem in Parijs tot Nederlandse ambassadeur van de Franse kunstenaarsgroep La Section d'Or en bezoekt hij verder Léger en Gino Severini.

Daarnaast maakt hij in Parijs voor het eerst echt goed kennis met de dadaďstische activiteiten van Francis Picabia en Tristan Tzara. Vooral Picabia maakt diepe indruk op Van Doesburg, die hem in het artikel 'Dada' in De Nieuwe Amsterdammer tot voorman van de dada-beweging verklaart.
Pas na een persoonlijke ontmoeting met Tzara in juni 1920 stelt hij zijn mening bij en roept hem uit tot leider van die beweging. Op zijn terugreis houdt hij op 15 maart nog een lezing in Brussel. Na zijn bezoek aan Parijs vond Van Doesburg het tijd ook aandacht aan de literatuur te besteden en dus publiceerde hij in april 1920 het manifest 'De Literatuur', waarmee hij zijn literaire loopbaan 'afsloot'.

Om vervolgens het dadaďsme in De Stijl te kunnen opnemen, zonder Mondriaan en andere leden van De Stijl te zeer van zich te laten vervreemden, gebruikte hij, voor zijn literaire werk, voortaan het heteroniem I.K Bonset (dat een anagram zou zijn van 'Ik ben sot'). Van juni 1920 tot april 1921 huurt Van Doesburg een woning op de Haarlemmerstraat 73a in Leiden van een Mevrouw J. Rees-Rookmaaker.
Tijdens de opening van de tentoonstelling La Section d'Or bij de HKK op 11 juli ontmoet hij de pianiste Nelly van Moorsel, met wie hij, zeer tegen de zin van haar ouders, een relatie begint.

In september 1920 wordt hij door Evert Rinsema voorgesteld aan de architect Cees Rienks de Boer voor wie hij een groot aantal kleurontwerpen maakt en glas-in-loodramen ontwerpt. Op 30 oktober organiseert hij een causerie in het Rijksmuseum in Amsterdam en eind december reist hij naar Berlijn om daar de abstracte films van Hans Richter en Viking Eggeling te bekijken.
Direct na aankomst zocht hij contact met de architectuurcriticus Adolf Behne. Twee dagen na aankomst, op 20 december, vindt in het huis van architect Bruno Taut een ontmoeting plaats met Walter Gropius, Adolf Meyer, Fred Forbát, Adolf Behne, de gastheer en enkele Bauhaus-studenten. Tijdens deze bijeenkomst wordt heftig gediscussieerd over passende kleuren in de architectuur, zoals die in het huis van Taut te zien waren.

Van Doesburg laat werk van De Stijl zien en Gropius vertelt over de activiteiten van het Bauhaus. Van Doesburg toont zich zeer geďnteresseerd, waardoor Gropius hem aanraadde Weimar te bezoeken, wat hij een week daarna ook doet. In Weimar spreekt hij Forbat, Muche, Itten, Feininger en verschillende keren Gropius, vaak in gezelschap van zijn medewerker Meyer.
Ook houdt hij er in januari 1921 de lezing Stijl-eenheid. Later die maand ontmoet hij in Berlijn ook de Russische kunstenaar El Lissitzky.

Ondertussen is Nelly van Moorsel van huis weggelopen en in Leiden opgevangen door Oud en Van Doesburgs vrouw Lena.
Op 17 maart 1921 begint Van Doesburg met een lezingentour door België, Frankrijk, Italië en Duitsland, begeleid door Nelly. Hierna hebben ze elkaar nooit meer verlaten. In het meinummer van 1921 van De Stijl introduceert Van Doesburg een nieuwe pseudoniem in de vorm van Aldo Camini, een op jonge leeftijd overleden, Italiaanse dadaďst, wiens 'manuscript' hij "op het atelier van den modernen schilder C. C. [Carlo Carrŕ] (den metaphysicist) op de Piazza St. Fedele [sic] te Milaan" gevonden zou hebben.
Dit 'manuscript' publiceert hij vervolgens in De Stijl onder de titel Caminoscopie, 'n antiphilosofische levensbeschouwing zonder draad of systeem. Als zodanig probeert hij de filosofie te verbannen uit de literatuur. De Caminoscopie is een mengeling van de antifilosofie van Giovanni Papini en futuristische poetica van wetenschap en technologie, die met name bij Carrŕ een metafysische bijklank heeft. In april 1921 vestigt Theo van Doesburg zich langere tijd in Weimar, vanwaar hij De Stijl blijft publiceren. Hier biedt Bauhaus-docent Adolf Meyer hem een flat aan en een Bauhaus student stelt hem zijn atelier ter beschikking voor het geven van colleges.

Het Bauhaus, waar ondanks de progressieve aspiraties van directeur Walter Gropius, de Romantische en Arts and Crafts-achtige ideeën van met name docent Johannes Itten de boventoon voeren, wil Van Doesburg graag als docent in dienst nemen.
Itten en Van Doesburg zijn elkaars tegenpolen. "Hij [Van Doesburg] droeg bij voorkeur een zwarte hoed en modieuze pakken. Itten daarentegen ontwierp een soort priestergewaad en schreed daarmee net zo ongegeneerd door Weimar als Van Doesburg met zijn mononcle, witte stropdas en zwarte hoed te koop liep (allebei tot verbazing van de burgerij)", weet voormalig Bauhaus-student Werner Graeff zich later te herinneren. Toch wordt zijn verzoek tot aanstelling afgewezen.

Van Doesburgs radicale en vaak tactloze optreden tegenover enkele Bauhaus-docenten maakt het Gropius onmogelijk hem aan te nemen, terwijl hij daarnaast de toch al onzekere positie van het Bauhaus verder aan het wankelen zou kunnen brengen. Dit weerhoudt Van Doesburg echter niet om i.s.m. Werner Graeff en Nelly zijn eigen Stijl-cursus I te organiseren.

Het doel van de cursus is "1 de presentatie van de reeds in 1916 in De Stijl ontwikkelde basisbegrippen voor een nieuwe, radicale vormgeving (cursus A)" en "2 met deze algemene basisbegrippen voor de beeldhouwkunst als uitgangspunt het 'Gesamtkunstwerk' voor te bereiden (cursus B)".
De cursus vindt van 8 maart tot 8 juli elke woensdag plaats van 7 tot 9 uur in het atelier van Peter Röhl, een van Van Doesburgs meest vurige aanhangers.

Op 24 maart 1922 schrijft hij zijn vriend Walter Dexel dat zijn cursus een succes is en dat de meeste studenten afkomstig zijn van het Bauhaus. Ook in het Bauhaus zelf is de invloed van Van Doesburg merkbaar.
Het residentietheater van Weimar wordt in 1921 op aanwijzing van Van Doesburg door Bauhaus-studenten beschilderd volgens de uitgangspunten van De Stijl, Oskar Schlemmer ontwerpt eind 1921 een nieuw en hoekig Bauhaus-vignet en Gropius verandert het motto van het Bauhaus van "Kunst en ambacht - een nieuwe eenheid" in "Kunst en techniek, een nieuwe eenheid", terwijl Itten zijn ontslag indient.

Deze stapsgewijze koerswijziging van het Bauhaus eist Van Doesburg vrijwel onmiddellijk voor zich op. Toch schrijft een gefrustreerde Van Doesburg in december 1922, terugkijkend op zijn verblijf in Weimar, dat er in Duitsland sprake is van een "zucht naar mystiek en een filosofisch-gebondene en systematisch gekweekte denkwijze" en "slechts een minstens even sterke systematiek in de uiteenzetting der beeldingsmiddelen en hun toepassing kon deze hinderpalen niet teniet doen".
In het tijdschrift Mécano schrijft hij later in 'Bilanz des Staatlichen Bauhauses in Weimar' (eindbals van het Bauhaus) provocerend: Van buiten kwadraat, van binnen Biedermeier'. Toch stuurt Van Doesburg in 1924 een solidariteitsbetuiging naar het politiek in het nauw gedreven Bauhaus. Op 27 maart 1922 geeft Van Doesburg in 'Die Kornscheuer' in Berlijn de met 'lantarenplaatjes' ondersteunde lezing 'Der Wille zum Stil', begeleid door pianospel van Nelly.

Dezelfde lezing geeft hij nog in april in de aula van de universiteit van Jena, en verder in Weimar, Erfurt, Leipzig en Wenen. Van 29-31 mei 1922 zijn Theo en Nelly aanwezig op het Eerste Internationaal Congres van Progressieve Kunstenaars in Düsseldorf. Het doel van dit congres is te komen tot een soort 'internationale van (vooruitstrevende) kunstenaars', maar Van Doesburg, Hans Richter en El Lissitzky verhinderen dit door de vorming van een meer exclusieve fractie van constructivisten.
In juli brengt Van Doesburg samen met Nelly en Antony Kok, die zijn vakantie die zomer met hen doorbrengt, een bezoek aan László Moholy-Nagy in zijn Berlijnse atelier om te komen tot de oprichting van een 'Internationale Beeldende Arbeidersgemeenschap' of een 'Internationale van Kunstenaars'. Op 25 september organiseert Van Doesburg een congres voor deze gemeenschap, waarvoor hij al zijn constructivistische collega's uitnodigt, inclusief oud-studenten van zijn Stijl-cursus: Werner Graeff, Nini Smit of Smith, Harry Scheibe, Cor van Eesteren, Hans Richter, Alexa Röhl, El Lissitzky, Bernhard Sturzkopf, Max en Lotte Burchartz, Peter Röhl, Hans Vogel, Lucia en László Moholy-Nagy en Alfred Kemeny.

Het congres wordt afgesloten met een dadaďstische avond in Hotel Fürstenhof, waarvoor hij zijn dadaďstische vrienden Tristan Tzara, Hans Arp, Kurt Schwitters en Raoul Hausmann uitnodigt.
Hierdoor is dit congres bekend komen te staan als 'Internationaal congres van Konstructivisten en Dadaďsten'. Van Doesburg geeft die avond in een voordracht weer eens flink af op het Bauhaus en begint steeds harder te schreeuwen, terwijl Nelly hem begeleidt met een constructivistisch pianostuk. Ook een aantal Bauhaus-studenten scheldt hun mede Bauhäuslers uit met de woorden: “Jullie zijn allemaal Romantici!” Van een Constructivistische Internationale komt het niet.
Lissitzky, bijvoorbeeld, kan zich niet vinden in Van Doesburgs 'primitieve utilitarisme'.

Wel organiseert Van Doesburg hierna nog dada-avonden in Jena (27 september) en Hannover (29 september). Begin december keert hij weer terug naar Nederland.
In de winter van 1922-1923 verblijft Van Doesburg op Klimopstraat 18 in het door Wils ontworpen complex Daal & Berg in Den Haag. Hoewel Wils toen geen lid meer van De Stijl was, was Van Doesburg zeer te spreken over het ontwerp en publiceert er foto's en tekeningen van in het vijfjarig jubileumnummer van De Stijl. Ondertussen zorgen zijn kleurontwerpen in Drachten voor zoveel commotie, dat hij er zich op 22 december 1922 in de lezing 'De kleur in onze woning' voor komt verantwoorden.

In de eerste maanden van 1923 trekt Theo van Doesburg samen met Kurt Schwitters, Nelly van Moorsel en Vilmos Huszŕr door Nederland om dada te promoten in de zogenaamde dada tournee. Op 12 maart organiseert hij met Schwitters, Van Moorsel en Huszar nog de 'Moderne Soirée' in de Haagse dansschool van Lily Green[84] en op 28 maart geeft hij een lezing voor de SAJO, eveneens in Den Haag.
Dat voorjaar wordt hij ook door de Franse schilder Albert Gleizes en de Spaanse schilder Olazabal voorgedragen als erelid van de Maison de l'Amérique Latine en de Académie Internationale des Beaux Arts in Parijs. In het voorjaar van 1923 weet Van Doesburg eindelijk een geschikte architect te vinden om de eerder door Leonce Rosenberg toegezegde tentoonstelling voor te bereiden (de architecten Van 't Hoff, Oud en Wils hadden de groep immers eerder verlaten).
Eind maart 1923 verzekert namelijk Cor van Eesteren, die Van Doesburg op 4 mei 1922 in Weimar tijdens een studiereis door Centraal-Europa ontmoette, zijn medewerking aan het project. Tussen 24 juni en 15 oktober maken Van Doesburg en Van Eesteren, in een atelier aan de Rue du Moulin Vert in Parijs, diverse tekeningen en maquettes rondom vier projecten: Hotel particulier, Maison particuličre, Maison d'artiste en een bewerking van een eerder door Van Eesteren gemaakt ontwerp, een Hall van een Universiteitsgebouw (zie Architectonische ontwerpen).

Het Hotel particulier en Maison particuličre is grotendeels het werk van Van Eesteren, terwijl de maquette van Hotel particulier van de hand van Gerrit Rietveld is.
Het Maison d'artiste wordt grotendeels aan Theo van Doesburg toegeschreven. De tentoonstelling vindt van 15 oktober tot 15 november van dat jaar plaats onder de titel Les Architectes du Groupe “De Styl”. Ook was op deze tentoonstelling werk te zien van Vilmos Huszar, Willem van Leusden, J.J.P. Oud, Ludwig Mies van der Rohe en Jan Wils.
In een speciaal dubbelnummer van De Stijl (jaargang 6, nummer 6/7) worden, n.a.v. deze tentoonstelling, diverse foto's en tekeningen gepubliceerd, bijgestaan door het manifest 'Tot een beeldende architectuur' van Theo van Doesburg. Maar de ontwerpen blijven papieren architectuur en de tentoonstelling wordt matig-positief ontvangen. Volgens Paul Overy had de tentoonstelling echter wel directe invloed op Le Corbusier wat betreft de toepassing van kleur in architectuur en het gebruik van axonometrische projecties in diens ontwerpen.
Begin 1924 zijn de 'Rosenbergontwerpen', naast werk van Franse architecten, opnieuw te zien in de École Spatiale d'Architecture. Op 1 februari 1924 vestigen Nelly en Theo zich op 84, Avenue Schneider in Clamart, waar ze tot eind 1927 blijven wonen. Hier is Van Doesburg "bij gebrek aan bouwopdrachten, weer verwoed aan het schilderen geslagen", zo schrijft hij op 27 augustus 1925 aan César Domela Nieuwenhuis.
Naar aanleiding van de axonometrische tekeningen van de Rosenbergontwerpen, de Contra-constructies, introduceert Van Doesburg de diagonaal in zijn werken. Zo creëert Van Doesburg een nieuwe richting in zijn oeuvre die hij elementaristisch noemt, zonder daarbij echter de uitgangspunten van de Nieuwe Beelding los te laten. In zijn serie Contra-Composities (tegencomposities), die hij hoofdzakelijk in de periode 1924-1925 maakt, zijn beide stijlen vertegenwoordigd.

Van Doesburg geeft nog wel lezingen. Zo wordt hij eind 1924 door het comité van het Muziek- en Theater-feest in Wenen uitgenodigd op 10 en 13 oktober in het Konzerthaus enige voordrachten te houden over de 'Konsequenties van het Constructivisme'. Tijdens een, in verband met de internationale Exposition des Arts Décoratifs, die van april tot oktober 1925 in Parijs plaats zal vinden, op 25 oktober 1924 gehouden conferentie in Hotel Majestic wordt besloten tot het houden van een internationaal congres voor moderne kunst.
Van Doesburg wordt benoemd tot voorzitter van dit congres en zal bijgestaan worden door de architecten Guévrihiau en Feuerstein en de schilders Josef Sima en Karel Teige. Ondanks een aanmoediging van ambassadeur Loudon, besluit de Tentoonstellingsraad dat niet De Stijl Nederland zal vertegenwoordigen tijdens de Exposition des Arts Décoratifs, maar de Amsterdamse School.

Van Doesburg protesteert hier heftig tegen bijgestaan door een groot aantal kunstenaars uit heel Europa en zelfs Amerika, onder wie ook Oud en Wils.
'Ban und Einrichtung' nodigt Van Doesburg uit op 15 en 16 januari 1925 twee lezingen in Berlijn te geven. De vicomte en vicomtesse de Noailles geven Van Doesburg in het voorjaar van 1925 opdracht een kamer voor het snijden van bloemen in hun door Robert Mallet-Stevens ontworpen villa in Hyčres te ontwerpen. Zijn appčl krijgt bijval, want van 30 november tot 21 december van dat jaar organiseert de Poolse kunstenaar Victor-Yanaga Poznanski de tentoonstelling Art d'aujourd'hui (Kunst van heden), waar werk te zien is van Van Doesburg, Mondriaan, Huszŕr, Domela en Vordemberge-Gildewart.
Tijdens de opening werd muziek gespeeld van de Amerikaanse componist George Antheil, die Van Doesburg kort daarvoor tot Stijlmedewerker 'benoemde'.

In 1926 werd Van Doesburg door het echtpaar Hans en Sophie Arp-Taeuber benaderd om hen te helpen bij de herinrichting van het de Aubette in Straatsburg, waar de broers Paul en André Horn een groot amusementspaleis in wilden vestigen. De broers gaven hen carte-blanche.
Najaar 1926 werd het contract gesloten en tegen februari 1927 waren de ontwerpen van zowel Van Doesburg als de Arps grotendeels gereed (zie Interieurs). Deze 'nieuwe elementaire interieurs', zoals Van Doesburg ze op de officiële uitnodiging uit februari 1928 noemt, behoren in zekere zin tot de 'zuivere monumentale schilderkunst' waarvan hij al in 1918 van sprak. Hiermee had hij zijn doel 'den mensch in (inplaats van tegenover) de beeldende kunst te plaatsen' bereikt.
Van Doesburg ontwierp ook een speciaal Aubette-lettertype voor de bewegwijzering in het gebouw en de neo-letters aan het exterieur. Naar aanleiding van de verbouwing van de Aubette gaf hij een bijzonder goed verzorgd, speciaal nummer van De Stijl (nummer 87, 88, 89) uit, dat gedrukt is op kwaliteitspapier en hoogstaande reproducties bezit.

Hiervoor moest hij zich zodanig in de schulden steken, dat het het laatste door hem uitgegeven nummer van De Stijl zou worden.
Naast deze uitgave en een artikel van Van Doesburg zelf in Bouwbedrijf, werd de Aubette, tot verdriet van Van Van Doesburg, geheel door de vakpers genegeerd. Ook de bezoekers van de Aubette waren niet gecharmeerd van het nieuwe interieurs en dus laat de uitbater van de Aubette, Ernest Heitz, de interieurs al snel ontsieren door het aanbrengen van schrootjes, kunstbloemen en kleurverlichting. In 1928 schrijft Van Doesburg in zijn dagboek: 'Scheppen is de meest troostelooze en teleurstellende bezigheid, waarmede God den mensch gekastijd heeft'.
In een brief aan Bart de Ligt schrijft hij dat hij geruďneerd en teleurgesteld uit Straatsburg terugkeerde.

Van juli 1928 tot december 1930 huurt Van Doesburg een atelier in Villa Corot op de Rue d'Arcueil 2 in Parijs. Op 24 november 1928 treedt hij in het huwelijk met Nelly.
In juni 1929 voltooit Van Doesburg, met de hulp van de student bouwkunde Abraham Elzas, het ontwerp van een huis en atelier, waar hij in de tweede helft van 1927 al mee was begonnen. Dezelfde maand kopen Theo en Nelly een stuk grond in de Parijse voorstad Meudon, dat op Nelly's naam, Mme. P. Küpper-van Moorsel, komt te staan. In oktober is hij in Nederland i.v.m. de door Nelly georganiseerde tentoonstelling Expositions sélectes d'art contemporain, waarvoor hij op 13 oktober een lezing geeft in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Die maand bezoekt hij ook de familie Milius in Den Haag.
In december 1929 richt hij de internationale kunstenaarsclub Art Concret op. In de eerste weken van mei 1930 reist het echtpaar Van Doesburg naar Spanje, waar Theo lezingen geeft in Madrid en Barcelona. Op 16 juni 1930 ondertekent hij in het bijzijn van vertegenwoordigers van de Katholieke Kerk een certificaat waarin hij afstand doet van 'de ketterij van Luther'.
Van oktober tot eind 1930 wordt zijn atelier-woonhuis gebouwd in Meudon (zie Architectonische ontwerpen).

In december 1930 betrekt het echtpaar Van Doesburg het huis, dat Theo tot een nieuw centrum van collectieve activiteit wil maken. In februari 1931 vindt er een bijeenkomst plaats, die, na zijn dood, zal leiden tot de oprichting van de invloedrijke Abstraction-Création.
Voorjaar 1931 worden zijn astma-aanvallen echter steeds heftiger en er wordt door zijn vrienden een inzamelingsactie gehouden zodat hij behandeld kan worden. Eind februari 1931 vertrekt hij met Nelly naar het Zwitserse Davos om van zijn astma te herstellen, maar overlijdt daar op 7 maart daaropvolgend op 47-jarige leeftijd onverwacht aan een hartstilstand. Van Van Doesburg bestaan veel (zelf)portretten.

In 1924 neemt Lucia Moholy-Nagy, de vrouw van László Moholy-Nagy, een serie portretfoto's van hem, en-face (met vlinderstrikje) en en-profil (samen met Nelly). In hetzelfde jaar maakt de Hongaarse Bauhaus-student Sándor Bortnyik een satirische collage op Van Doesburg, waarin hij hem 'opsluit' in zijn eigen vierkante De Stijl-constructie. In de achtergrond van deze collages zijn de betonwoningen van Pauw en Van Hardeveld in Rotterdam-Zuid te zien, die Van Doesburg in 1921 in De Stijl publiceerde.
In het depot van het Instituut Collectie Nederland in Rijswijk bevindt zich ook een dodenmasker van Van Doesburg (inventarisnummer AB6039). Van Doesburg was enthousiast over alles wat nieuw was: van gewapend beton tot het klankdicht en van Albert Einsteins relativiteitstheorie tot jazz. Zo had hij, zoals meer van zijn tijdgenoten, een voorliefde voor fabriekshallen en graansilo's vanwege hun 'functioneele (mechano-esthetische) architectuur', de 'afwezigheid van kunstbedoeling' en hun 'onopzettelijke rhythmische monumentaliteit'.
In de bouwkunst zag hij Berlage als de vader van de moderne Nederlandse architectuur, hoewel Berlage daar zelf volstrekt anders over dacht. 'Jullie maken alles kapot wat ik opgebouwd heb', zou hij hebben gezegd in reactie op De Stijl. Maar toch was het Berlage, die Nederland bekend maakte met het werk van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright, en zo een hele generatie architecten inspireerde, waaronder ook Van Doesburg.

Zo is de invloed van Wright duidelijk merkbaar in de architectonische ontwerpen, die hij met Cor van Eesteren maakte.

Bron(o.m.):Wikipedia

home