naam
concert
Matthieu Wouters
wijnmolenstraat-dordrecht
Rob Jacobs
boten-industrie
Tanja Koelemij
janpeter
Jan Peter van Opheusden
janpieter
Jan Pieter van den Bos
dans1
Anno Ruemkens
Otto DixOtto Dix

Otto Dix

Otto Dix (Gera, 2 december 1891 - Singen, 25 juli 1969) is een van de meest intrigerende Duitse kunstenaars in de schilderkunst van de 20e eeuw. Hij doorliep gedurende de periode 1910-1933 verschillende belangrijke moderne kunststromingen zoals het expressionisme, het dadaïsme en het verisme. Dix meldde zich bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 als vrijwilliger bij het Duitse leger, maar na 1918 heeft hij in een aantal monumentale werken zijn afschuw tegen de oorlog en de gevolgen daarvan onverbiddelijk getoond.
Niettemin gaf hij tijdens een interview in de jaren '60 te kennen dat hij die ervaring niet had willen missen. In de jaren '20 groeide in zijn werk zijn aversie tegen de heersene kunstclichés uit tot een sarcasme waarmee hij de burgerij op de kast joeg.

Tal van thema's waren aan de eigentijdse maatschappelijke situatie ontleend, zoals te zien in schilderijen als Kriegskrüpel (1920) waarin Dix een 'stoet' toonde van zwaar geschonden veteranen die allesbehalve een parade heroïsche van Duitse soldaten vormde, of in 'Altes Liebespaar' (1923) waarin hij de verlepte naaktheid van een vrijend bejaard onverhuld liet zien.
Ook zijn voorstellingen van prostituees schokten het publiek door de expliciete weergave van hun fysieke en sociale staat. Dix studeerde aan de kunstacademie in Dresden (1919-1921) en sloot zich met onder meer George Grosz bij de Dada-beweging aan. Na enkele jaren in Düsseldorf (1922-1925) en Berlijn (1925-1927) gewerkt te hebben, keerde hij terug naar Dresden om daar les te geven (1927-1933).
In die periode schilderde hij een van zijn topwerken Großstadt (1927/28), een triptiek die het moderne leven en de keerzijden ervan laat zien.

Toen de nazi's in Duitsland in 1933 aan de macht kwamen werd hem zijn functie aan de Kunstacademie ontnomen, onder andere omdat zijn kunst als een bedreiging voor de morele staat en de militaristische houding van het Duitse volk werd beschouwd. Hij kreeg spoedig ook een tentoonstellingsverbod.
Dix's werken tijdens het Derde Rijk werden als Entartete Kunst bestempeld, omdat die niet strookten met het arische ideaalbeeld van de NSDAP. In 1937 beviel Joseph Goebbels maar liefst 260 van Dix's werken te confisqueren. Veel werken werden ter veiling in Luzern aangeboden, wat men niet wist te verkopen, werd in 1939 in een Berlijnse brandweerkazerne verbrand.

Werken als Kriegskrüpel en Schützengraben gingen daar in vlammen op, maar een van zijn meest monumentale werken Der Krieg wist hij te redden door deze in een molen op te slaan. Ondanks dit alles bleef hij in Duitsland wonen. Hij verliet Dresden en installeerde zich eerst in Singen en in 1936 in Hemmenhofen (bij het meer van Constanz).
Deze keuze om Duitsland niet verlaten, ondanks de zeer beperkte mogelijkheden om als kunstenaar te kunnen werken vanwege het ontbreken van een lidmaatschap van de Reichskulturkammer, is bekend geworden als Innere Emigration. Dix stond in die keuze niet alleen, veel kunstenaars en intellectuelen kozen eveneens hiervoor.

Gedurende al die jaren, ook tijdens de oorlog, zal hij vrijwel jaarlijks een bezoek brengen aan Dresden.
Dix schilderde tussen 1933-1945 voornamelijk landschappen waarbij hij inhaakte op de traditie van de romantische schilder CD. Friedrich. In zijn religieuze taferelen, zoals de Verlokkingen van de Heilige Anthonius, verwees Dix naar het bestaande nazi-regime.
Otto Dix overleed in 1969 aan een hersenbloeding.

English version Otto Dix was born on 2 December 1891 and grew up with three younger siblings in a socially democratic-thinking family on the outskirts of the residence city Gera. After an apprenticeship as a decorative painter and studies at the Kunstgewerbeschule in Dresden Dix' training was interrupted by the First World War.
He spent four years as a soldier in France, Flanders and Russia. After the war he continued his studies at the Kunstakademie in Dresden and was one of the co-founders and central figures of the 'Dresdner Sezession - Gruppe 1919'. In autumn 1922 Dix moved to Düsseldorf and became Heinrich Nauen's and Wilhelm Herberholz's master pupil.

The war experiences triggered his scathingly critical pictures like e.g. 'Der Schützengraben' (1923), which caused an art scandal with two other pictures.
The same year Otto Dix started the etching-cycle 'Der Krieg' as climax and end of his graphic œuvre. After expressionistic and dadaistic beginnings Dix turned to the New Objectivity in 1922, moved to Berlin in 1925 and became the most distinguished portrait painter of the bohemia in Berlin and the intellectual society of the Weimar Republic.

In 1927 he was appointed professor at the Dresden Akademie, but was dismissed again in 1933 and was finally no longer permitted to exhibit his works as an 'unwanted artist'.
Dix then moved to Randegg near Singen and three years later to Hemmenhofen on Lake of Constance. In 1945 the artist was drafted into the 'Volkssturm' and was captured by the French in Colmar. After the war annual stays in Dresden, the membership at the academies in Berlin-Dahlem and East-Berlin led to a continuing shuttling over the frontier and between two state arts.
Dix' trips to Southern France, Italy and Greece were enriched in 1962 by a study stay at the Villa Massimo in Rome and two years later by the membership of honour of the Accademia delle arte del disegno in Florence.

Since 1950 there was a thematical and stylistic change in his late works, which led from the urban culture to bucolism, from the polemically realistic to the carefree-expressionistic. Dix was still interested in portraits, but religious subjects and landscapes also played a dominant role.
Otto Dix is counted among the most important German artists of the 20th century. His work mirrors in its lively changeability the caesurae of the century, without abstraction, which was dismissed and criticised by Dix up to a great age.

Bron(o.m.):Wikipedia

home